TRADITIONELE RELIGIEUZE GROEPERINGEN IN DE RUSSISCHE EN NEDERLANDSE LITERATUUR. PERCEPTIE EN WERKELIJKHEID

Drs. B.Th. Lohmann

1. Inleiding


Tegen de achtergrond van voortdurende secularisering maken traditionele religieuze gezindten in Europa geen makkelijke tijden door. Binnen conservatieve religieuze groeperingen heersen ideeën die soms sterk afwijken van de consensus in de hedendaagse maatschappij. Kenmerkend voor – in dit geval christelijke – traditionele gemeenschappen is dat ze trouw blijven aan wat zij beschouwen als fundamentele christelijke leerstellingen en waarden, waardoor ze weinig meeveranderen met de samenleving waarvan ze deel uitmaken. Bijgevolg worden ze steeds meer als archaïsch en wereldvreemd ervaren, wat soms kan leiden tot conflictsituaties met hun naaste omgeving. Als reactie op botsingen met hun vijandige of ontkerkelijkte omgeving kiezen deze groeperingen vaak voor isolement: ze trekken zich terug uit de samenleving voor zover dat mogelijk is om hun traditionele levenswijze te behouden. Deze situatie heeft geleid tot het ontstaan van gesloten gemeenschappen waartoe buitenstaanders maar moeilijk toegang krijgen en waarover in brede lagen van de bevolking heel weinig bekend is. Zo’n stand van zaken geeft aanleiding tot ontstaan van allerlei misverstanden, vooroordelen of zelfs een negatieve houding. Ze hebben, wat men noemt, “een slechte pers.”

Het is vanzelfsprekend dat zulke afgezonderde milieus waarover zo weinig bekend is voor de buitenwereld heel intrigerend kunnen zijn en niet zelden een zweem van geheimzinnigheid hebben. De afgelopen paar eeuwen zijn er schrijvers geweest die bewust gebruik hebben gemaakt van deze situatie en die hebben gekozen voor een setting van hun romans of verhalen in het gesloten milieu van een religieuze gemeenschap. Vaak zijn de hoofdpersonages lid van zo’n onbekend, mysterieus milieu of komen daarmee in aanraking. Zo’n raadselachtige omgeving voegt welhaast automatisch iets exotisch toe aan een werk en speelt vaak een belangrijke rol in de handeling. In de 19e eeuwse Russische literatuur was zo’n setting het milieu van de oudgelovigen, in de Nederlandse literatuur het milieu van orthodoxe protestanten.

Een problematische factor bij de uitbeelding van reëel bestaande godsdienstige milieus in literatuur is dat een stuk van de werkelijkheid geïncorporeerd wordt in fictie en dat daarmee de wereld van de roman banden krijgt met de werkelijkheid buiten het literaire werk. Zeker, elk literair werk doet impliciet een beroep op een algemeen menselijk referentiekader en op kennis van de wereld bij de lezer. Echter, wanneer de werkelijkheid van gesloten religieuze gemeenschappen in beeld komt, laat juist deze kennis van de wereld de lezer in de steek, omdat voor het grote publiek de levenswijze van zulke groeperingen terra incognita is. Als een schrijver een werkelijk bestaande religieuze gemeenschap als zodanig in zijn werk opvoert, mag het beeld dat hij van die groepering schetst worden getoetst aan de werkelijkheid: probeert hij een objectief beeld te schetsen van het religieuze milieu of wordt dit beeld om bepaalde redenen verdraaid?

In deze lezing wil ik ingaan op wie de oudgelovigen en wie de orthodoxe protestanten zijn en hoe zij zijn uitgebeeld in de Russsiche 19e eeuwse literatuur en de Nederlandse literatuur van na 1950. In verband met de noodzaak zich te beperken zal bij de oudgelovigen en hun voorstelling in de Russische literatuur het accent gelegd worden op het oeuvre van P.I. Mel’nikov, wat de orthodoxe protestanten en hun weergave in de Nederlandse literatuur betreft op Jan Siebelink en zijn roman “Knielend op een bed violen.” Gezien eerdergenoemde noodzaak zich te beperken is afgezien van het opnemen van illustrerende citaten uit literaire werken.


 
2.0 Beschrijvingen en karakteristieken

2.1 Oudgelovigen

Oudgelovigen zijn Russische christenen die in het midden van de 17e eeuw los zijn komen te staan van de hiërarchie van de Russisch-orthodoxe kerk uit protest tegen kerkelijke hervormingen die werden doorgevoerd door de toenmalige patriarch Nikon. De hervormingen behelsden voornamelijk wijzigingen in riten en teksten en hadden tot doel de Russische traditie te uniformeren met de Grieks-Byzantijnse traditie. De voorstanders van deze hervormingen gingen ervan uit dat de Russische kerk door onjuiste vertalingen en fouten van incompetente kopiisten in het verleden af was gaan wijken van de overige oosters-orthodoxe kerken. De tegenstanders betwistten de juistheid en rechtmatigheid van deze hervormingen. In 1666-67 kwam het tot een schisma, waarbij de oude riten en teksten werden vervloekt en de oppositie in de ban werd gedaan. Degenen die trouw wilden blijven aan de oude Russische ritus worden “oudgelovigen” genoemd en zij bestaan tot op heden. Binnen de oudgelovigen is er een fundamentele tweedeling tussen priesterlijke en priesterloze oudgelovigen.

2.1.1 Priesterlijke en priesterloze oudgelovigen

Priesterlijke oudgelovigen komen voort uit de conservatieve oppositie en houden vast aan een voortzetting van het kerkelijke leven van vóór de hervormingen. Deze priesterlijken hebben een kerkelijke hiërarchie, kennen alle sacramenten en staan relatief dichtbij de “reguliere” Russische kerk die genoegzaam bekend is. In vergelijking met deze kerk zijn de priesterlijke oudgelovigen evenwel aanzienlijk strenger in hun vasthouden aan oude oosters-orthodoxe tradities en kerkelijke discipline. Priesterlozen komen voort uit de radicale oppositie. De gedachtenwereld van de priesterlozen kenmerkt zich door antiklerikale en eschatologische stemmingen. Deze oudgelovigen zijn van mening dat door de hervormingen de ware Kerk op aarde is opgehouden te bestaan en dat de antichrist al op aarde is verschenen, zij het niet fysiek, maar “in de geest.” Bijgevolg erkennen zij geen enkele kerkelijke hiërarchie op aarde; behalve de doop en de biecht kennen zij geen sacramenten. Elke gemeenschap kiest, volgens democratisch principe, haar eigen voorganger; men komt bijeen in gebedshuizen. De priesterlozen hebben niet zelden nogal uitgesproken en onwrikbare geloofsopvattingen: door de afwezigheid van enige hiërarchie en apocaliptische tendensen werd de theologie “gepopulariseerd” en als gevolg ontstonden er talloze gezindten en zelfs secten met de meest radicale opvattingen en streng-ascetische leefregels. In dit opzicht doen priesterlozen denken aan protestanten.

2.1.3 Vervolgingen

Nadat de oudgelovigen in de ban waren gedaan, brak een periode van vervolgingen aan die ruim 200 jaar heeft geduurd. De oudgelovigen werden zowel door de Russische staat als door de Russische staatskerk én ideologisch én fysiek bestreden, waarbij de kerk gebruikmaakte van de machtsmiddelen van de overheid. De oudgelovigen hadden geen burgerrechten en waren feitelijk illegaal in eigen land. De vervolgingen dwongen de oudgelovigen een min of meer clandestien bestaan te leiden en zich terug te trekken in eigen kring. Velen kozen voor een leven in afgelegen gebieden in de Oeral en Siberië waar ze hun geloof vrijer konden belijden. Door de vervolgingen ontstond er een zeer gesloten milieu waarin een diep wantrouwen bestond jegens buitenstaanders.

2.1.4 Karakteristieken

De oudgelovigen maken deel uit van de Oosters-orthodoxe traditie, maar deze traditie hebben zij in de vorm zoals ze was vóór de kerkhervormingen van patriarch Nikon in 1666-67. De oudgelovigen hebben zich ondanks de vervolgingen kunnen handhaven: tot 1917 vormden ze een parellele wereld naast die van de staat en de officiële kerk. Trouw aan de oude kerkelijke tradities vormt de essentie van de oudgelovigen, naast een sterk arbeidsethos en, zoals ze het zelf formuleren, een gezond conservatisme. De oudgelovigen voeren de spirituele idealen van het oude Rusland hoog in het vaandel, terwijl het moderne leven zich steeds verder verwijdert van deze idealen. De grootste uitdaging waarmee de oudgelovigen zich nu geconfronteerd zien is de vraag hoe men trouw kan blijven aan oude tradities en idealen en tegelijkertijd die idealen actualiteit en betekenis kan geven voor de mensen en de samenleving van nu. Immers, het trouw blijven aan oude Byzantijns-Russische ecclesiastische tradities maakt dat de oudgelovigen steeds vreemder en onbegrijpelijker worden voor moderne Russen.

2.3. Orthodoxe protestanten

2.2.1 Definitie en oorsprong

Veel orthodoxe protestanten behoren tot de zogenoemde bevindelijk gereformeerden. De bevindelijk gereformeerden vinden hun oorsprong in de 17e eeuw en komen voort uit een calvinistische vroomheidsbeweging, de Nadere Reformatie (nadere in de betekenis van voortgezette reformatie). De Nadere Reformatie legde sterk de nadruk op de doorwerking van de bijbelse boodschap in alle facetten van het dagelijks leven, zowel in de leer als in de concrete levenswandel. Ook in Engeland bestond destijds een dergelijke beweging, bekend als Puriteinen. In de context van de bevindelijke gereformeerden duidt “gereformeerd” aan dat deze groepering vasthoudt aan de bijbel zoals die in de reformatorische traditie wordt geïnterpreteerd. “Bevindelijk” wil zeggen dat het gevoel, de beleving van de bijbelse boodschap ervaren met het hart, een belangrijke rol speelt in het theologisch denken van deze protestanten. Dit is voor hen het zaligmakend geloof, dat door God geschonken wordt en dat boven het verstandelijke geloof (aanvaarding van de bijbel) wordt gesteld. Formeel gaat het hier om één richting binnen het Nederlandse calvinisme, maar ze bestaat uit meedere kerkgenootschappen en binnen deze gemeenschappen zijn er in de praktijk plaatselijk kleine verschillen in opvattingen. Daarnaast zijn er zogenaamde conventikels, autonome gemeenschappen van gelovigen, los van enig kerkverband, waarin meer extreme opvattingen kunnen heersen.

2.2.2 Karakteristieken

De ontkerkelijking is een van de meest markante ontwikkelingen in de Nederlandse samenleving van de 20e eeuw. In een wereld van euthanasie, homohuwelijk en wet gelijke behandeling zijn de bevindelijk gereformeerden geneigd zich terug te trekken in eigen kring en stellen aandacht – met name in de media – niet op prijs. Men probeert een zekere afstand tot de moderne buitenwereld te bewaren, maar men ziet zichzelf wel als een deel van de hedendaagse maatschappij. Men is “in de wereld, maar niet van de wereld.” In hun milieu is de bijbel onverkort bekleed met absoluut, goddelijk gezag en is hij de basis voor de ware leer en een goede levenswandel. Opmerkelijk is dat bevindelijk gereformeerden hun geestelijke ervaringen verwoorden in een eigen taalgebruik; dit taalgebruik is sterk beïnvloed door de Statenvertaling en wordt door henzelf “de Tale Kanaäns” genoemd. Veel gezaghebbende publicaties uit de 17e eeuw leest men nog altijd in 17e-eeuws Nederlands en velen kunnen dit Nederlands, inclusief de Gotische belettering, moeiteloos lezen. Het dagelijks leven is doordesemd met gebed, bijbellezingen en psalmzingen. Veel zaken die doorsnee protestanten de laatste decennis minder streng in acht zijn gaan nemen, worden hier onverkort in ere gehouden:

— de zondagsrust;
— men gebruikt bij voorkeur de Statenvertaling uit 1637 met haar archaïsche Nederlands;
— men verwerpt moderne exegese en theologie;
— de man is hoofd van het gezin en de vrouw heeft meestal een andere taak dan de man (ze zijn
  wel gelijkwaardig, maar niet gelijk);
— mannen en vrouwen kleden zich naar hun geslacht;
— men wijst televisie, bioscoopbezoek en modern vermaak af;
— sommigen wijzen verzekeringen en vaccinatie af.

2.3 Verschillen en overeenkomsten tussen oudgelovigen en orthodox-protestanten


Laten we ons goed realiseren dat op de meeste theologische punten orthodoxe protestanten en oudgelovigen lijnrecht tegenover elkaar staan: ze maken deel uit van twee verschillende tradities: het calvinisme enerzijds en de oosterse orthodoxie anderzijds. De overeenkomsten die er zijn, zijn dan ook voornamelijk secundair, maar daarmee niet minder relevant.
Voor beide zijn de volgende zaken, die nauw met elkaar samenhangen, kenmerkend:


1. dominantie van het geloof en geloofszaken in het alledaagse leven;
2. conservatisme in geloofsopvattingen en levenshouding;
3. sterk traditionalisme, historisch besef;
4. strenge sociale omgangsvormen;
5. sterk arbeidsethos;
6. afwijzen van zaken die in de seculiere maatschappij aanvaard zijn (bijvoorbeeld ongehuwd samenwonen, abortus, homoseksualiteit, euthanasie);
7. distantie tot de buitenwereld, isolement in verschillende mate;
8. onbekendheid en misverstanden over de denominatie in de samenleving.

3.0 Perceptie van de minderheden door derden


3.1.1 Oudgelovigen


Zoals reeds aangegeven, werden de oudgelovigen ruim twee eeuwen lang bestreden en gediscrimineerd. men verweet hun star conservatisme, een obscurantistisch geloof in rituelen, een onvermogen zich te ontwikkelen. De banvloek uit 1667 over de oude riten en teksten is in 1971 opgeheven, maar een aantal stereotypen blijft evenwel bestaan. Sommige Russen, onder wie Aleksandr Isaevič Solženitsyn (1918 – 2008), zijn van mening dat de oudgelovigen een bijzonder slag mensen waren: “Lang is een bepaald Russisch karakter bewaard gebleven in het afgezonderde milieu van de oudgelovigen – hun kunt u noch bandeloosheid verwijten, noch ontucht, noch luiheid, noch onkunde zich bezig te houden met industriële, agrarische of koopmanszaken, noch kunt u hun ogeletterdheid verwijten en laat staan onverschilligheid ten opzichte van spirituele kwesties.” (A. I. Solženitsyn, “Rossija v obvale,” Moskva, 1998). Vaak blijft onderbelicht dat de oudgelovigen een cruciale rol hebben gespeeld bij het in cultuur brengen van enorme gebieden aan de rand van het voormalige Russische rijk; veel steden in die nieuwe gebieden zijn door oudgelovigen gesticht (Chvalynsk, Klincy).


3.1.2 Orthodox-protestanten (bevindelijk gereformeerden)


De orthodox-protestanten en met name de bevindelijke gereformeerden zijn in hun bestaan nooit vervolgd of van staatswege gediscrimineerd. Het zijn voornamelijk de moderne media die bijdragen aan de beeldvorming over deze groepering; hun rol wordt door de orthodoxe protestanten als twijfelachtig beschouwd. Ze krijgen veel kritiek om hun geslotenhuid en hun conservatieve standpunten die in onze tijd door velen als onaanvaardbaar worden beschouwd. Tijdens de bezetting van Nederland in de Tweede Wereldoorlog liet een aantal predikanten uit hun kring zich leiden door de gedachte van apostel Paulus dat alle gezag door God is ingesteld, wat in een aantal gevallen resulteerde in een loyale houding ten opzichte van de nazi’s. Hoewel volgens bevindelijke gereformeerden de meeste predikanten juist actief zijn geweest in het verzet, heeft deze collaboratie destijds veel kritiek losgemaakt. De bevindelijk gereformeerden moeten vechten tegen stereotypen: de vermeende onwil zich te laten inenten, het naar verluidt veelvuldig voorkomen van seksueel misbruik, hun levenswijze die voor hedendaagse Nederlanders streng en ouderwets aandoet. De media zijn geneigd juist op deze zaken de aandacht te vestigen.


4.0 Uitbeelding van de minderheden in de literatuur


4.1.0 Klassieke versus moderne literatuur


Om te kijken hoe de oudgelovigen worden uitgebeeld moeten we ons wenden tot de klassieke 19e eeuwse Russische literatuur, omdat religieuze groeperingen uit de literatuur van na 1917 hoegenaamd verdwenen zijn. Met de orthodox-protestanten is het juist omgekeerd: de beschrijving van hun milieu heeft juist haar intrede gedaan in de na-oorlogse Nederlandse literatuur.


4.1.1 Uitbeelding van de oudgelovigen in de Russische literatuur


In de 19e eeuwse Russische literatuur zijn twee schrijvers die gebruik hebben gemaakt van het oudgelovigenthema: Pavel Ivanovič Mel’nikov-Pečerskij (1818 – 1883) en in beduidend mindere mate Nikolaj Semjonovič Leskov (1832 – 1895).
Leskov heeft het prachtige verhaal “De verzegelde engel” (1873) geschreven, een intrigerend relaas over een geconfisqueerde icoon dat geheel is gesitueerd in een milieu van priesterloze oudgelovigen. Met een grote kennis van zaken en zelfs liefdevol worden de personages door de schrijver geportretteerd; het zijn personages met een eigen psychologie, een eigen karakter, een eigen wereldbeeld – het zijn round characters. Geen enkele keer glijdt Leskov af in stereotype voorstellingen. De auteur laat oudgelovigen aan het woord en laat hun vertellen over hun tradities en leefregels. Leskovs oudgelovigen zijn eenvoudige, vrome en hard werkende Russen, ze zijn geen obscure sectariërs. Dit is des te opmerkelijker, omdat Leskov dit verhaal geschreven heeft in een periode waarin de vervolgingen van de oudgelovigen nog geen einde genomen hadden. Hij heeft wel een knieval moeten maken voor de geest des tijds: aan het eind van het verhaal gaan alle oudgelovigen in het verhaal over tot de staatskerk als gevolg van een wonder dat achteraf geen wonder blijkt te zijn. Deze bekering tot de officiële kerk heeft Leskov moeten toevoegen van de uitgever, die het verhaal anders niet wilde publiceren.


In de inleiding is al gesteld dat de oudgelovigen gesloten gemeenschappen vormden waarvan maar weinig bekend is. Als men in Rusland al iets weet over de oudgelovigen, verwijst men vaak naar de romans van Pavel Mel’nikov-Pečcerskij. Pavel Mel’nikov was essayist, etnograaf en schrijver en heeft in die hoedanigheid veel kennis verzameld over de oudgelovigen die hij verwerkte in zijn literair oeuvre. Mel’nikov was echter ook ambtenaar die beroepshalve belast was met het bestrijden van de oudgelovigen. Hij was de overtuiging toegedaan dat het oude geloof voortkwam uit een gebrek aan ontwikkeling en dat zijn verdwijning daarom een kwestie van tijd was. Deze grondhouding is bepalend voor het perspectief van de verteller. In zijn bekende romans “V lesach” (1871 – 1874) en “Na gorach” (1875 – 1881) en vooral in zijn veel minder bekende “Očerki popovščiny” (1864) wordt een zedenschets van de oudgelovigen gemaakt die gekwalificeerd kan worden als tendentieus: oudgelovigen worden geportretteerd als strenge gelovigen, maar hun inachtneming van oude tradities en stringente regels blijkt een façade te zijn waarachter hypocrisie hoogtij viert. De lezer leert de personages kennen door de handeling, maar ze worden niet geponeerd als mensen met hun eigen psychologie of levenshouding, het zijn eerder episodische personages die dienen als een mozaïeksteentjes waarvan Mel’nikov een groot panneau maakt, het zijn voornamelijk flat characters. Een aantal keren voert Mel’nikov reëel bestaande mensen in zijn werken op, vooraanstaande figuren in oudgelovigenkringen, wier negatieve karaktertrekken hij op satirische, hyperbolische wijze ten tonele voert. Deze personages worden consequent eenzijdig afgechilderd als dragers van bepaalde menselijke gebreken: de een is een dronkelap, de ander gaat zich te buiten aan seksuele uitspattingen, een derde is een principeloze geldwolf. Satirisch aangescherpte uitbeeldingen van werkelijk bestaande personen zinken weg in de biografische context van Mel’nikovs proza, waardoor een suggestie van historische waarheidsgetrouwheid gewekt wordt. Bronnenonderzoek heeft aangetoond dat Mel’nikov gebruik maakte van onbevestigde geruchten die hij als plausibele informatie presenteerde. Deze procédés dienen steeds één doel: discreditatie.


4.1.2 Uitbeelding van orthodox-prostestanten in de Nederlandse literatuur


In de Nederlandse literatuur zijn de schrijvers in wier werk het orthodoxe protestantisme een promimente plaats inneemt Jan Wolkers (1925 – 2007), Maarten ‘t Hart (1944), Maarten Biesheuvel (1939) en Jan Siebelink (1938). In de Nederlandse literatuur heeft de uitbeelding van de streng protestantse omgeving altijd een autobiografisch karakter en overheerst het retrospectieve aspect. Wolkers, ’t Hart en Biesheuvel zijn auteurs die nadrukkelijk met dit milieu gebroken hebben en zich er negatief dan wel ironisch over uitlaten; in sommige gevallen spreekt men zelfs van een afrekening. Bij Wolkers en Biesheuvel is de uitbeelding van dit milieu episodisch en niet zelden humoristisch of ironisch gekleurd, zoals bij Wolkers in “Terug naar Oestgeest” (1965). Bij ’t Hart treedt het orthodox-protestantse milieu meer op de voorgrond. De toon bij ’t Hart is scherper: hij verwoordt de streng protestantse omgeving op een manier die zijn negatieve attitude blootlegt en hij kan soms fel polemiseren met het geloof, waarvan een aantal scènes uit zijn werk getuigen. Vaak is er sprake van een zekere paradox: enerzijds hebben de auteurs hun oude godsdienstige milieu de rug toegekeerd, anderzijds verliest het niet aan actualiteit: herinneringen aan die omgeving en religieuze thema’s blijven terugkeren.


Jan Siebelink heeft in zijn veelbesproken roman “Knielen op een bed violen” (2005) zeker geen afrekening met het streng protestantse milieu voor ogen gehad. Zijn sterk autobiografische roman is geconcipieerd als een liefdevolle poging zijn vader en diens innerlijke wereld in kaart te brengen en te begrijpen. Siebelinks vader bewoog zich in een zogenaamd conventikelmilieu: een informeel verband van antikerkelijke gelovigen met veelal extreme geloofsopvattingen. De extreme geloofsovertuiging van zijn vader werkt destructief op zijn gezin en op zijn sociale functioneren. Op de site van de NS Publieksprijs wordt het boek omschreven als “een onthutsend, meeslepend verhaal over godsdienstwaanzin en vaderliefde.” En inderdaad, er komen aangrijpende scènes voor in de roman, die bovendien een inkijk geeft in een wereld waarmee de moderne Nederlander volstrekt onbekend is, waardoor er een vervreemdingseffect kan ontstaan: de lezer kan de psychologie en de daaruit voortvloeiende handelingen niet plaatsen vanuit zijn eigen geseculariseerde bewustzijn, omdat de romanpersonages, gelet op hun levenshouding, een sterk afwijkend referentiekader hebben.


Ondanks Siebelinks milde toon en diens sympathie voor het geloof, ondanks dat velen zich realiseren dat een roman een vertekend beeld geeft van de werkelijkheid, heeft het boek kritiek gekregen uit reformatorische kring. Men vraagt zich af in hoeverre het beeld dat Siebelink schetst als representatief kan worden beschouwd voor het calvinimse. De roman zou een aantal feitelijke onjuistheden bevatten. Hoewel Siebelink beweert dat hij alle gebeurtenissen uit zijn jeugd waarheidsgetrouw heeft opgetekend, twijfelt men in reformatorische kring aan de betrouwbaarheid van de herinneringen van de auteur – herinneringen die juist de autobiografische elementen in de roman vormen. De redacteur van her Reformatorisch Dagblad, W.B. Kranendonk, schrijft aan het einde van zijn recensie over “Knielen op een bed violen”: “De roman draagt, wellicht onbedoeld, bij aan karikatuurvorming van calvinisten” (RD, 22 oktober 2005). Opmerkelijk is, dan Jan Siebelink zelf de kritiek van deze calvinisten niet van de hand wijst; hij geeft toe van de wereld waarin zijn vader zich bewoog maar weinig te begrijpen: “En ik denk dat ze gelijk hebben. Ik ben niet gekend door God, dus kán ik het niet beschrijven. Ik trek me hun kritiek zo aan, omdat mijn vader ook zo dacht” (Intermediair 11, 16 maart 2006, p. 21). Anderzijds beroept de auteur zich op zijn artistieke vrijheid als romancier:
“De wetten van een roman eisen nu eenmaal dat ik rottige dingen […] aanzet, mooie dingen wegsnoei” (Intermediair, idem).


5.0 Conclusies

5.1 Traditionele religieuze minderheden zijn in de Nederlandse literatuur prominenter aanwezig dan in de Russische

Voor het prominenter aanwezig zijn van traditionele godsdienstige groeperingen in de Nederlandse literatuur zijn meerdere redenen aan te wijzen. In Rusland is na 1917 religie gedurende drie generaties een non-issue geweest en daarmee heeft ze geen uitdrukking gevonden in de moderne sovjet-russische literatuur. In tegenstelling tot de situatie van vóór de revolutie van 1917, toen volgens volkstellingen minimaal tien procent van de Grootrussen oudgelovigen waren, zijn de oudgelovigen vandaag de dag een marginaal verschijnsel. In de Nederlandse literatuur is het streng protestantse milieu actueel geworden in de jaren ’60 en ’70, toen op de golf van ingrijpende maatschappelijke veranderingen (emancipatie, generatiekloof, ontkerkelijking) het afrekenen met religie doordrong tot de werken van meerdere toonaangevende schrijvers; daarmee kreeg het actualiteit en bekendheid, temeer, omdat de strijd met de eigen religieuze afkomst die deze schrijvers verwoordden herkenbaar was voor velen in de Nederlandse samenleving. De enorme respons die Siebelinks roman “Knielen op een bed violen” gekregen heeft en die in augustus 2008 zijn 46e druk beleefde, is in deze context exemplarisch.


5.2 Nergens is de beschrijving van het religieuze milieu ondubbelzinnig positief

De manier waarop vertegenwoordigers van de religieuze groeperingen worden beschreven loopt op van neutraal-welwillend (Leskov, Siebelink) naar ironisch-humoristisch (Wolkers, ’t Hart) tot karikaturiserend-negatief (Mel’nikov-Pečerskij). Opmerkelijk is dat Nederlandse schrijvers in hun werken sommige familieleden ontzien, wat wellicht is terug te voeren op het autobiografische element dat in veel van hun werken dominant aanwezig is.

5.3 Biografisch versus autobiografisch

Hoewel Russische schrijvers veel kennis hebben van het godsdienstige milieu dat ze in hun werken als setting gebruiken, maken ze zelf geen deel uit van dat milieu en komen ze niet voort uit dat milieu: ze zijn en blijven buitenstaanders en er is daarom geen sprake van enig autobiografisch perspectief. Nederlandse auteurs komen juist wél voort uit de omgeving die ze beschrijven en kennen haar van binnenuit. Sterker nog: het is zelfs de reden dat dit milieu in hun werken voorkomt. De beschrijving en het verwerken van de relieuze omgeving heeft in de Nederlandse literatuur vrijwel altijd een sterke autobiografische inslag.


5.4 De negatieve houding van de auteurs is verschillend

Bij Russische auteurs, in het bijzonder bij Mel’nikov-Pečerskij, is er sprake van een vooringenomen houding: niet alleen bij de schrijver, maar vooral ook als mens is hij behept met een typisch 19e eeuws voortuitgangsoptimisme, wat hem versterkt in zijn vooroordelen: het oude geloof is ten dode opgeschreven en zal geen stand kunnen houden in het licht der vooruitgang.
Nederlandse schrijvers hebben vaak traumatische ervaringen en frustraties opgedaan in hun jeugd die zich in het bewuste milieu afspeelde. Om deze reden wordt soms wel eens geproken van een “afrekening” met het strengprotestantse milieu waarin ze zijn opgegroeid. Ze geven te kennen dat ze zich los hebben gemaakt uit dat milieu of veroordelen zowel geloof als hun voormalige leefomgeving expliciet. Wederom is hier sprake van een duidelijk aanwijsbare autobiografische inslag.

5.5 Literaire procédés komen deels overeen

Historisch en literair onderzoek heeft aangetoond dat Mel’rsquo;nikov-Pečerskij bewust manipuleert met feiten. Door zijn grote kennis van zaken die hij in zijn werken etaleert kan hij camoefleren dat hij fictie presenteert als werkelijkheid. Hij hanteert een levendig, kleurrijk, maar tegelijkertijd bandinerend en suggestief taalgebruik, waarmee hij impliciet zijn eigen houding ten opzichte van zijn personages toont. Nederlandse schrijvers streven naar een onverbloemende, naturalistische weergave van de werkelijkheid en daarbij bewijst het autobiografische aspect als toegevoegde authenticiteitswaarde grote diensten.
Zowel bij Russische als bij Nederlandse auteurs gaat het niet alleen om de feiten zelf, maar ook op de wijze waarop ze beschreven worden, waarbij al dan niet humoristisch of ironisch taalgebruik wordt toegepast, wat soms kan leiden tot een zekere karikaturisering van dat milieu.

5.6 Procédés bij Mel’nikov-Pečerskij en Siebelink komen overeen

Mel’nikov-Pečerskij geeft in zijn romans verzonnen namen aan bekende, gezaghebbende figuren in oudgelovigenkringen en voert hen op als romanpersonages, waarbij de persoonlijkheden uit de realiteit uiteraard herkenbaar zijn voor oudgelovigen; deze personages worden negatieve eigenschappen en een laakbare handelwijze toebedeeld met het doel hen te discrediteren.
Siebelink heeft een dergelijk procédé toegepast in “Knielen op een bed violen”; de in bevindelijke kringen bekende predikant ds. J.P. Paauwe (1872 – 1956) heeft model gestaan voor het romanpersonage ds. Poort. Ook de namen van de colporteurs Mieras en Taverne zijn afgeleid van namen van in bevindelijk gereformeerde kring bekende predikanten. Zij krijgen evenwel geen ondubbelzinnig negatieve karkatereigenschappen toebedeeld, hoewel de aanhangers van ds. Paauwe zich hebben gestoord aan de beschrijving van de fictieve ds. Poort door Siebelink.

6.0 Afsluiting

Zoals al gezegd is een problematische factor bij de uitbeelding van reëel bestaande godsdienstige milieus in de literatuur dat een stuk van de werkelijkheid geïncorporeerd wordt in fictie. In hoeverre een auteur die een werkelijk bestaande religieuze gemeenschap als zodanig in zijn werk opvoert, af mag worden gerekend op de mate waarin zijn gecreëerde beeld van die gemeenschap overeenkomt met de werkelijkheid, blijft open voor discussie: waar eindigt artistieke vrijheid en waar begint de relatie van het literaire werk met de werkelijkheid – een relatie die staat voor de geloofwaardigheid van het werk?
Er is in deze kwestie echter nog een andere partij: de lezer. Maar de lezer staat niet alleen met zijn perceptie, de lezer is kind van zijn tijd. Hoe het leven van een traditionele godsdienstige gemeenschap wordt opgevat door de hedendaagse lezer hangt niet alleen af van de manier waarop de schrijver die groepering opvoert, maar ook van het wereldbeeld van de lezer. En dat wereldbeeld van de lezer wordt onvermijdelijkerwijs beïnvloed door de tijdsgeest en is daarmee veranderlijk. In het begin van deze lezing is het al gezegd: tegen de achtergrond van voortdurende secularisering hebben traditionele religieuze gezindten het niet makkelijk. Binnen deze groeperingen heersen ideeën die vaak sterk afwijken van de consensus in de hedendaagse maatschappij en ze worden steeds meer als archaïsch en wereldvreemd ervaren. Ze zijn wellicht veroordeeld tot een “slechte pers”, hoe er ook over hen geschreven wordt. Men kan zich dan ook afvragen of een neutrale uitbeelding dan wel onbevooroordeelde perceptie van een traditionele religieuze gemeenschap in Europa in het begin van de 21e eeuw wel mogelijk is.

Literatuur

’t Hart, Maarten. Een vlucht regenwulpen, De Arbeiderspers, ISBN 90 295 2355 7
Stoffels, Hijme Cornelis, Als een briesende leeuw: orthodox-protestanten in de slag met de tijdgeest. Kok, Kampen, 1995. ISBN 90 242 2307 5
Siebelink, Jan, Knielen op een bed violen, De Bezige Bij, 2006, ISBN 90 234 1665 1
Wolkers, Jan, Terug naar Oestgeest, Meulenhoff, ISBN 97 890 2908307 2
Intermediair, № 11, 16 maart 2006
Боченков В.В., П.И. Мельников (Андрей Печерский): Мировоззрение, творчество, старообрядчество. Ржев, 2008. ISBN 978-5-87049-625-2
Вургафт С.Г., Ушаков И.А. Старообрядчество. Лица, события, предметы и символы. Опыт энциклопедического словаря, Москва, 1996
Зеньковский С.А., Русское старообрядчество, Том I и II, Москева, 2006, Институт ДИ-ДИК, ISBN 5-93311-012-4
Мамин-Сибиряк Д.Н., Приваловские миллионы, серия «Русская классика», изд. Эксмо, ISBN 5-699-17741-8
Мельников-Печерский П.И., В Лесах. По собранию 8 т., Москва, 1976
Солженицын А.И., Россия в обвале. Москва, Русский путь, 1998. ISBN 5-85887-030-7
Русские писатели и поэты. Краткий биографический словарь. Москва, 2000

 

(c) 2008, 2013 B.Th. Lohmann